De inburgering is in transitie. Na de Wet Inburgering Nieuwkomers[1], die per 1 januari 2007 vervangen werd door de Wet Inburgering, treedt op 1 januari 2013 het nieuwe inburgeringsstelsel in werking dat nog in de maak is. Nieuwkomers krijgen dan geen inburgeringsaanbod meer van de gemeente en moeten zelf invulling geven aan hun inburgeringstraject. Bovendien moeten zij hun eigen inburgering financieren. Specifiek inburgeringsbeleid gefaciliteerd door het Rijk verdwijnt. Hierdoor dreigt opgebouwde expertise te verdwijnen en bestaat het gevaar dat velen buiten de maatschappij komen te staan.
Naar aanleiding van de nieuwe ontwikkelingen vond op 19 april jl. in Rotterdam een landelijke bijeenkomst inburgering plaats voor grote gemeenten. De dag was informatief bedoeld, gemeenteambtenaren zouden er kennis kunnen uitwisselen en geïnspireerd kunnen raken. Als docent Nederlands als Tweede Taal (NT2) / inburgering vind ik de ontwikkelingen zorgwekkend.
Onderzoek – en de praktijk
Het afgelopen jaar is veel geïnvesteerd in kwaliteitsverbetering van de inburgering. In opdracht van het ministerie van VROM / voor Wonen, Wijken en Integratie werden op zichzelf zeer nuttige onderzoeken uitgevoerd, zoals over de koppeling tussen inburgering en de hulpverleningsketen[2]; het houden van een geïntegreerde intake[3]; over de effecten van inburgering op participatie[4] en over het project Taalcoach[5]. Proeftuinen inburgering zochten uit op welke manier succesfactoren het onderwijs en de prestaties van de cursisten positief beïnvloeden. De implementatiespoordagen die tot voor kort in dit kader georganiseerd werden, waren vrij toegankelijk voor docenten die meer willen weten over zelfverantwoordelijk leren of het leveren van maatwerk in de inburgering.
Veel commerciële aanbieders van inburgeringstrajecten passen de verworven inzichten echter nog niet toe of wekken slechts de schijn om een nieuwe gunning te krijgen. Inburgeren in de praktijk, persoonlijk verslag van een docent (Durf Uitgeverij, november 2010) doet een boekje open over de misstanden in de inburgering. De docent in kwestie publiceerde onder het pseudoniem Roos Friesland. Zij levert in haar boek vanuit de uitvoeringspraktijk kritiek op de vrije marktwerking in de inburgering. De hierdoor ontketende concurrentiestrijd heeft ertoe geleid dat particuliere taalaanbieders zo goedkoop mogelijk trajecten aanbieden, betoogt ze. In slechte onderkomens, met behulp van gebrekkig materiaal, en in slechte rechtspositie geven docenten les aan heterogene groepen. Ze signaleert problemen met ongemotiveerde cursisten en uit haar frustratie. Onmacht klinkt door in haar litanie, hoewel ze positief probeert te blijven. Overigens richt ze zich niet langer op de inburgering, maar geeft ze nu met plezier les aan staatsexamengroepen. Helaas mis ik in haar boek aanbevelingen die aansluiten op de hervormingen van het stelsel die wel degelijk gaande zijn. Dat zij zich hiervan ten tijde van het schrijven van haar boek niet bewust was, moge een illustratie zijn van wat ik beweer: dat veel commerciële organisaties de verworven inzichten niet in de praktijk laten toepassen.
‘Het inburgeringsprogramma draagt bij aan de versterking van de zelfredzaamheid van de deelnemers en kan een belangrijke rol vervullen in de verdere participatie van migranten in de Nederlandse samenleving,’ schrijft de directeur Inburgering en Integratie namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 17 maart 2011. Toch stelt het Rijk vanaf 2014 geen inburgeringsmiddelen meer ter beschikking. Er zit ontwikkeling in de inburgering, maar het toekomstperspectief is somber als de uitvoering zonder inhoudelijke controle aan de vrije markt wordt overgelaten. Des te kwalijker is het, als de overheid aan de gedane inspanningen geen vervolg geeft. Gemeenten luiden de noodklok en waarschuwen dat de samenleving de rekening van de bezuinigingen nog gepresenteerd zal krijgen.
Met de voeten in de klei
Ik werk sinds drie jaar als docent NT2 / inburgering in de regio Arnhem/Nijmegen. Mijn andere beroep, antropoloog, kleurt mijn visie op het vak. Begin jaren negentig van de vorige eeuw nam ik in het kader van mijn studie deel aan een werkgroep ‘Etnische minderheden in Nederland’, naar het gelijknamige boek onder redactie van Prof. Dr. Han Entzinger, een van de grondleggers van de verplichte inburgering. Ook las ik toen een casestudy uit het begin van de jaren tachtig, gebaseerd op veldwerk in Utrecht onder leiding van onder anderen Prof. Dr. Frank Bovenkerk. ‘Vreemd volk, gemengde gevoelens’ heet het boek en het beschrijft de wrijvingen binnen de wat toen multiraciale samenleving werd genoemd.
In die tijd realiseerde de Nederlandse overheid zich pas dat de gastarbeiders die in de jaren zestig en zeventig waren gekomen, niet zouden terugkeren. De gezinshereniging was op gang gekomen. Angst voor interetnische spanningen, rechtvaardigheidsoverwegingen en sociaaleconomisch eigenbelang bepaalden sindsdien het allochtonenbeleid. Totdat aandacht voor de emancipatie van migranten tot een linkse hobby werd bestempeld: het pamperen van allochtonen moest maar eens afgelopen zijn.
Decennialang hebben autochtone Nederlanders geleefd met de illusie dat allochtonen wel zouden assimileren. Dat ze zich onze cultuur met normen en waarden eigen zouden maken omdat zij vroeg of laat de superioriteit ervan in zouden gaan zien. ‘Het is kennelijk een hele klap voor veel Nederlanders dat allochtonen hierheen kwamen om zich te ontplooien, niet om te worden zoals wij,’ schrijft Joris Luyendijk in het opiniestuk Nederland Gidsland, hoe provinciaal kun je zijn? De conclusie van de politiek bij monde van Vicepremier Maxime Verhagen (CDA): ‘De multiculturele samenleving is mislukt’.
Ik geloof niet in pamperen. Maar als antropoloog ‘met de voeten in de klei’ ervaar ik dagelijks hoe belangrijk het holistische perspectief is. De doelgroep waarmee ik werk, allochtone vrouwen van de eerste generatie, verkeert in een achterstandspositie en dreigt in een isolement te raken. Het gaat om allochtone vrouwen die vanwege hun sociaaleconomische situatie in combinatie met psychosociale en gezondheidsproblemen moeilijk mee kunnen doen in de samenleving. Velen van hen zijn al tien, twintig, dertig jaar in Nederland. Het zijn oudkomers die hun kinderen hebben opgevoed en weinig buitenshuis kwamen. In eigen land hebben de meesten geen onderwijs genoten; ze zijn hier gealfabetiseerd.
Participatietraject Inburgering
De vrouwen die stagneerden tijdens het alfabetiseringstraject zullen zeker niet slagen voor de reguliere inburgeringsexamens, die veel te moeilijk voor hen zijn. De gemeente zag dat in en maakte gebruik van haar beleidsvrijheid om deze groep een alternatief inburgeringsprogramma aan te laten bieden. De organisatie waar ik voor werk, IVC Nijmegen, verzorgt dit Participatietraject Inburgering, waarin veel aandacht is voor functioneel leren, vrijwilligerswerk of een andere vorm van participatie en opvoedingsondersteuning door middel van een combinatie van informatieverstrekking en discussie. Ook onderwerpen die in andere culturen in de taboesfeer blijven, zoals homoseksualiteit, maken we bespreekbaar.
Bij dit traject hanteren we, zoals ook bij onze sociale activeringstrajecten, vanaf de intake een integrale aanpak. De trajectbegeleider speelt hierin een belangrijke procesondersteunende rol. Zijn er belemmeringen die cursisten niet zelfstandig kunnen wegnemen, dan kunnen ze terecht bij het zorgteam, bestaande uit maatschappelijk werksters, een verpleegkundige en een huisarts. De docent kan vaak niet meer doen dan een signaal afgeven en rekening houden met de situatie van de cursist. Roos Friesland merkt in dit kader terecht op dat je als docent (meestal) geen psycholoog of maatschappelijk werker bent. Onze professionals verwijzen de cursisten zo nodig door en bemiddelen naar hulpverlenende instanties die voor de doelgroep nog altijd onbekend of moeilijk toegankelijk zijn. Deze aanpak helpt uitval door problemen in de privésfeer te voorkomen. Mijn indruk is dat we door in te spelen op de noden en behoeften van de cursisten veel minder problemen met ongemotiveerde cursisten ondervinden dan die Roos Friesland in haar boek beschrijft. Dit is mogelijk zonder concessies te doen aan de stof die we aanbieden.
Integratie moet van twee kanten komen
De integratie van allochtonen verloopt niet naar wens en veel aan migratie gerelateerde problemen blijven onopgelost. Nog in het Jaarrapport Integratie van 2010 is te lezen: ‘Integratie is een veelomvattend en langdurig proces.’ Zeker, de vorderingen gaan met kleine stapjes. Maar dat dit generaties duurt, is een dooddoener die lijkt te suggereren dat de tijd het probleem oplost. Ik durf het tegendeel te beweren. Mensen zullen zich van de maatschappij afkeren als zij geen kansen krijgen om er als volwaardige burgers aan deel te nemen en dit geldt net zo goed voor de tweede-, derde-, en volgendegeneratieallochtonen als voor de eerste generatie. Integratie blijft een noodzakelijke investering voor de hele Nederlandse samenleving. Integratie van beide zijden welteverstaan: door allochtonen en door autochtonen.
In een open brief aan de Volkskrant van 10 januari 2011 schrijven Turks-Nederlandse professionals verontrust dat Turks-Nederlandse jongeren in een isolement dreigen te raken. Hun binding met Nederland neemt af: zij voelen zich hier niet meer welkom, buitengesloten, tweederangsburgers. Velen van hen zijn werkloos en voelen zich gediscrimineerd op de arbeidsmarkt. Ze hebben een gebrek aan zelfvertrouwen, zien te weinig rolmodellen, terwijl het sociale vangnet van zelforganisaties verzwakt is. Moskeeën vullen de leemte, schrijven de professionals, de invloed van Turkse imams uit het land van herkomst is groot.
‘Ik wil Sinterklaas niet’ (citaat uit Inburgeren in de Praktijk)
Respect voor elkaars cultuur zou centraal moeten staan in het integratieproces. Ten onrechte werd de rol van cultuurverschillen decennialang onderschat. Terwijl voorstanders van de multiculturele samenleving de kwaliteiten van de Ander ophemelden (die exotische muziek, een rijke keukentraditie en niet te vergeten de ongekende gastvrijheid), haalden zij de eigen cultuur neer. Wat was eigenlijk onze eigen cultuur? Autochtoon Nederland raakte in een identiteitscrisis. Nog steeds kom ik in veel lesmaterialen gierigheid en benepenheid tegen als belangrijkste eigenschappen van De Nederlander. Ik begrijp de verontwaardiging van Roos Friesland hierover. Hoe kun je verwachten dat iemand je respecteert als je geen zelfrespect toont?
Anderzijds zie ik dat cultuurverschillen onvoldoende overbrugd worden. Het verbaast mij geenszins dat volwassen mannen dwars worden als ze Sinterklaasliedjes moeten zingen in de NT2 les. Leren uit lesmaterialen bestemd voor kinderen zou vrije keuze van een NT2 cursist moeten zijn, geen verplichte kost. Een volwassene verdient het als volwassene benaderd te worden, ook al lijken kinderboeken vanwege het eenvoudiger taalgebruik een goed middel. Ik ben ervan overtuigd dat de botsing tussen onze feminiene cultuur en die van de herkomstlanden een belangrijke oorzaak is van de onwil bij mannelijke cursisten om te leren. Mannelijke cursisten in het inburgeringsonderwijs zouden gebaat zijn bij mannelijke docenten, zoals islamitische vrouwen met een traditionele thuisbasis nog steeds beter gedijen in een beschermde leeromgeving waarin zowel medecursisten als docenten vrouw zijn. Ik zie dit niet als definitieve oplossing, maar als een noodzakelijke tussenfase voor een bepaalde doelgroep. Helaas wordt dit standpunt niet gedeeld door de overheid, die faliekant tegen gescheiden inburgering is.
Aandacht voor talent
Veelgehoorde kritiek op het huidige inburgeringstraject is dat de nadruk op het scoren van bewijsformulieren voor het portfolio en het behalen van de complexe examens ten koste gaat van de taal. Vooral oudkomers, dat wil zeggen mensen die voor 1 januari 2007 naar Nederland zijn gekomen, vinden de lessen niet nuttig en vaak betuttelend. Cursisten voelen zich niet gehoord in hun leerwensen en vinden dat hun capaciteiten onvoldoende erkenning krijgen. Ik geloof in de aanpak FC-Sprint2, die Jan Deutekom op het Friesland College ontwikkelde. Cursisten moeten worden uitgedaagd door hun vertrouwen en verantwoordelijkheid te geven, hen de noodzaak tot leren te laten voelen, hen fouten te laten maken.
Succesvolle leerwerkplaatsen bewijzen dat het NT2 onderwijs veel effectiever en bevredigender vormgegeven kan worden. De vrouwen die bij Wereldvrouwen werken, bijvoorbeeld, doen werkervaring in de catering of het naaiatelier op, leren functionele taal en verbeteren hun communicatieve vaardigheden in de praktijk. Het doel is doorstromen naar een beroepsopleiding en een betaalde baan. Zo kunnen ook zij hun talenten ontplooien en volwaardig meedraaien in de samenleving. Het Ministerie van OC&W nam Wereldvrouwen op als good practice voorbeeld in hun eindevaluatie subsidieregeling Emancipatie.
De overheid geeft de voorkeur aan duaal leren, waarbij taal en participatie tegelijkertijd en in samenhang plaatsvinden. Van april t/m oktober 2010 stimuleerde zij dit door middel van een tijdelijke regeling Inburgering op de Werkvloer. Een werkgever kon subsidie ontvangen in ruil voor ondersteunende activiteiten ten behoeve van de inburgering van werknemers. B&A consulting BV concludeerde in een verslag over de effecten van inburgering op participatie dat investeren in de inburgering en aanvullend taalonderwijs loont.
Burgers voor burgers
In de periode 2008 tot en met dit jaar financiert het Rijk het project Taalcoach. De middelen zijn bedoeld voor de werving, training en begeleiding van vrijwillige taalcoaches die het leerproces ondersteunen door een-op-een met inburgeraars de taal te oefenen. Uit een onlangs gepubliceerd onderzoeksrapport blijkt dat alle betrokken partijen positief oordelen over de opbrengsten van het project, hoewel het voorgenomen aantal matches niet gehaald is – en mogelijk niet behaald zal worden, gezien de gestelde einddatum van het project.
Inburgeraars verbeteren niet alleen hun taal in contact met de coaches, maar krijgen vaak ook meer zelfvertrouwen en worden beter zelfredzaam. Voor taalcoaches – die lang niet altijd eerder betrokken waren bij activiteiten rondom inburgering, migranten of vluchtelingen – is het een laagdrempelige mogelijkheid om kennis te maken met andere culturen. Vaak krijgen de vrijwilligers meer begrip voor de vaak moeilijke situatie van anderstaligen. Het project past goed in het lokale integratie- en participatiebeleid en voorziet in een behoefte. Het waarderingsonderzoek Project Taalcoaches stelt geheel in lijn met het regeringsbeleid dat de verantwoordelijkheid voor een succesvolle inburgering vooral bij de inburgeraar zelf ligt. ‘Tegelijkertijd is betrokkenheid van de ontvangende samenleving onontbeerlijk voor succesvolle integratie.’
Vanaf 2012 zullen de gemeenten die het lokale project willen voortzetten dit uit eigen middelen moeten financieren. Of gemeenten het benodigde budget voor het project Taalcoach kunnen reserveren, betwijfel ik ten zeerste, gezien de aangekondigde bezuinigingen waarvoor zij zich gesteld zien (voor de gemeente Nijmegen 15 miljoen euro). Toch blijft beperkte investering ten behoeve van coördinatie en begeleiding van taalcoaches nog steeds gewenst. Het zou zonde zijn als de opgebouwde expertise niet verder wordt benut.
Wijkgerichte inburgering
Dit jaar eindigt het in 2009 ingezette innovatietraject wijkgerichte inburgering, een experiment waarbij maatschappelijke participatie op wijkniveau het uitgangspunt is. De lessen die hieruit getrokken worden, moeten hun plek vinden in het nieuwe inburgeringsstelsel. Er lijkt me niets mis met mensen stimuleren hun zelfoplossend vermogen aan te spreken, om zo mogelijk samen met anderen (zonder de overheid) oplossingen voor problemen te bedenken. Uitgaan van de kracht van de burger, zijn of haar netwerk, de straat en de wijk. Zolang er landelijk kennis uitgewisseld en toegepast wordt over ervaringen uit de praktijk, zie ik zeker voordelen in een wijkgerichte aanpak waarin welzijnsorganisaties en taalaanbieders nauwer samenwerken om zo doublures te voorkomen. Maar ik maak me zorgen over het verlies van specifieke expertise op het gebied van emancipatie en integratie dat het nieuwe beleid met zich mee dreigt te brengen.
Ook vrees ik dat van het afbouwen van het inburgeringsbudget uitgerekend de meest kwetsbaren de dupe worden. Zij die nog niet financieel zelfredzaam zijn, hebben de ondersteuning van een traject hard nodig om zelfvoorzienend te worden, maar zij zullen niet in staat zijn het traject te betalen. Terwijl beheersing van het Nederlands een voorwaarde wordt voor het verkrijgen van een bijstandsuitkering, of je nu in staat bent om de taal te leren of niet. ‘Meedoen,’ was het motto van het Deltaplan Inburgering. Ik vind het onaanvaardbaar dat grote groepen mensen zullen worden uitgesloten van deelname aan de maatschappij.
Ik hoop dat de bijeenkomst van afgelopen dinsdag voor gemeenteambtenaren een stap in de goede richting zal blijken te zijn. Omwille van de investeringen en de opgebouwde expertise, maar vooral omwille van de toekomst van alle vrouwen en mannen die mee willen doen in Nederland. Ook als dat niet in hun eigen vermogen ligt.
Naschrift: een persbericht d.d. 17 juni 2011 vermeldt dat de ministerraad ermee heeft ingestemd het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet Inburgering voor advies aan de Raad van State te zenden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer, maar lees hier alvast over de nieuwe bepalingen in het wetsvoorstel.
[1] inwerkingtreding 30 september 1998
[2] Regioplan, eindrapport oktober 2010
[3] Radar Advies, drie voorbeelden, maart 2010
[4] b&a Groep, verslag van vier kwalitatieve casestudies, 18 augustus 2010
[5] Regioplan, waarderingsonderzoek, april 2011